Tagarchief: Verhalen

Oude Beene en de meester

Sintjohannesga had vroeger een klokluider, Oude Beene. Hij moest ’s morgens 9 uur de torenklok luiden. Hij woonde ongeveer een km van de toren verwijderd, hij was slecht ter been en bekend als een praatgrage.

Als het tegen negenen liep, vroeg zijn huishoudster steevast aan de baas: “Beene, wolle jo earst klokliede of earst kofjedrinke”. Meestal had hij liefst eerst koffie en dan vertrok hij om de klok te luiden.

Herhaaldelijk gebeurde het, dat hij onderweg kennissen trof, die hem aan de praat hielden met het gevolg, dat de oude man dan helemaal niet meer aan zijn plicht dacht en de klok liet. Soms ook was hij een hele poos te laat; de tijd moest maar op Beene wachten!

Later werd een schoolmeester met deze taak belast. De school stond ongeveer 150 m van de klok af. Meester stuurde een paar jongens naar de kerk om te luiden.

Deze knapen maakte graag capriolen met het klokkentouw of trachtten op andere wijze grappen in de kerk uit te halen. Daardoor liep meester een standje op van de kerkvoogden en hij moest beloven voortaan zelf te zullen luiden. Het was algemeen bekend, dat hij ook niet nauwkeurig aan de tijd hield!

Harmke, de bollendraagster, vroeg eens aan meester, die nooit uit de plooi raakte, “Is it nou al njogen ûre, master?” Zij kreeg ten antwoord: “Bij mij is het negen uur!”

Bron: Leeuwarder Courant van 9 maart 1972.

Historische foto van Streek 108 te Sintjohannesga.
Derde kerk van Sintjohannesga.

Logeren in de natuur 1943-1944

Tweede jeugdherinnering van Benno Pen uit Joure. In dit verhaal vertelt hij over de periode toen hij ongeveer zes jaar oud was, in de oorlogsjaren 1943/1944.

Vierhuis

Ik ben in 1937 geboren en moest in 1943/1944 naar school. Mijn vader was uitvoerder in de Noordoostpolder en ging met veel mensen om die uit de steden waren gevlucht als onderduiker en te werk werden gesteld als grond-arbeider in greppels en sloten aldaar. Wij hadden diverse families met kinderen uit Amsterdam en Rotterdam in huis als onderduikers, maar mijn vader nam steeds meer mensen mee uit de NOP om aan te streken, dus ook slapen bij ons in huis aan de Nieuweweg 21 te Spanga.

Het werd precair bij ons in huis, omdat ik in een leeftijd zat van praten en dat was gevaarlijk, omdat er bij ons in de buurt mensen woonden die bij de NSB waren aangesloten. dus werd er besloten door mijn vader en moeder om mij naar mijn Grootmoe en Grootvader in “Vierhuis” te doen laten logeren. Dit duurde langer dan bedoeld was en ik bleef daar meer dan anderhalf jaar, zodat ik in Rotsterhaule op de Openbare school Langedijk heb gezeten.

Grootva en Grootmoe (Fam. L. van der Wal) woonden bij de sluis in Vierhuis, je kon er alleen komen met een bootje. Tegenover het water stond een boerderij van Meerding met een meisje (Annie Meerding) van mijn leeftijd.

Het was voor kleine Benno een mooie tijd, je leefde daar geheel in de natuur. Grootva had een koe, 2 schapen en 6 kippen, die waarschijnlijk aan de leg waren, want elke morgen kregen wij bij het brood een vers ei. Achter hun woonark, dat op de wal was getrokken, lag een groentetuin waar genoeg in stond om de oorlog mee door te komen. En daar achter een stukje land met een windmolen en daar achter een grote woestenij met petgaten en ribben waar de turf vroeger op had gelegen om te drogen en waar nu gras op stond voor de koe.

Grootva en Grootmoe hadden één jongen in huis met de naam Ferdinand, een nakomertje, die 3 jaar ouder was dan ik, en daar heb ik een pracht tijd mee gehad, al mistte ik Vader en Moeder in die tijd wel. Na school gingen wij in het Schar achter huis om te vissen, te eierzoeken en dergelijke.

Naast ons woonark waren twee eilandjes met kleine oude huisjes, waar een oude man, Arend Poepjes, alleen woonde en op het andere eilandje: een broer van Grootvader (IJse van de Wal). Er liep naast IJse van der Wal een grote vaart naar achteren en daar lag in de oorlog een heel groot schip, waar geen mens op woonde. Wat er in dit schip verborgen zat, weet ik niet, maar achter in de petgaten lagen kliene motorbootjes met riet en ruigte afgedekt, zodat de Duitsers het niet konden zien.

Zondag’s gingen wij met de zeilboot naar het Apostolisch Gebouwtje dat naast boerderij Krikke stond aan de Polle, wat een hele belevenis was. Vooral wanneer de wind mee was, waren we snel weer thuis en kregen wij warme melk. Met Grootva gingen wij ook wel te vissen naar de Tjeukemeer, waar wij ook gingen zwemmen.

Het heeft een grote indruk achter gelaten en daarom schrijf ik over de regio, waar ik later heb gewerkt in het Schar en het allerbelangrijkste: waar ik mijn vrouw heb gevonden.

Historische foto van de Westerse School op de Langedijk te Rotsterhaule.
Op de kruising Kampweg/Langedijk en Streek te Rotsterhaule stond vroeger de Westerse School (foto: boek “Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid” van Stichting Werkgroep Historie Sintjohannesga).
Historische foto van de drie huisjes op twee eilandjes bij Vierhuis te Rohel.
Aan de overkant van de vaart stonden drie huisjes op twee eilandjes en lag een woonboot. De eilandjes lagen op een hoek waar drie waterwegen bij elkaar kwamen in de buurtschap Vierhuis (Rohel). (foto: boek “Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid” van Stichting Werkgroep Historie Sintjohannesga).
Historische foto van de Apostolische Genootschap kerkje aan de Polle te Rotsterhaule.
Het Apostolische Genootschap vestigde zich in 1933 in het gebouwtje aan de Polle te Rotsterhaule. (foto: boek “Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid” van Stichting Werkgroep Historie Sintjohannesga).

Verhalen & Gedichten B. Pen

Op de website ferhoalen.000webhostapp.com van Benno Pen kunt  u deze en al zijn andere verhalen en gedichten lezen.

Ontruiming Ambonezenkamp De Wite Peal

Naar aanleiding van een bericht uit de Leeuwarder Courant wordt een situatieschets beschreven hoe op 23 november 1960 het Ambonezenkamp De Wite Peal te Rotsterhaule werd ontruimd.

Ambonezenkamp “De wite peal” wordt ontruimd

Deel bewoners wil in Rotsterhaule blijven en niet naar “Ynbenheer”, Fochteloo gaan

In het Ambonezenwoonoord “De wite peal” onder Rotsterhaule heerste gisteren een nerveuze en wat geladen stemming. Maandag was bericht ontvangen, dat de bewoners alles in gereedheid moesten brengen, opdat zij vanmorgen zouden kunnen verhuizen naar het woonoord “Ynbenheer” te Fochteloo. Die verplaatsing hing al geruime tijd in de lucht, maar het bericht kwam toch onverwacht voor de ruim zestig personen omvattende kampgemeenschap (negen gezinnen en enkele alleenstaanden).

Een deel van de bewoners had voornamelijk bezwaar tegen de korte termijn, waarop de aanzegging had plaatsgevonden, al zagen zij anderszins tegen de verhuizing op, omdat zij zo langzamerhand goed zijn ingeburgerd op dit stuk Haskerlands grondgebied. Overwegende bezwaren tegen de verhuizing op zichzelf hadden ze evenwel niet. Dit betrof dan in hoofdzaak de oudere bewoners, die in de omgeving geen werk hadden gevonden.

De jongere gezinshoofden, die werk hebben in bedrijven in Joure en Heerenveen hadden bezwaren tegen de verhuizing, omdat zij in Fochteloo heel vroeg op zullen moeten, wanneer zij hun oude werkkring aanhouden. Dat betekent dan niet alleen vroeg op, maar ook laat thuis in verband met de afstand, die moet worden afgelegd. Kampoudste J. Likumahua zei daarom: “Wij blijven hier, al zullen we onder de blote hemel moeten slapen”.

Deze stemming had in het woonoord weerklank gevonden, zodat gisteren slechts één gezin was, dat zijn hebben en houden inpakte. Dat was dat van de oudste bewoner, de 71-jarige Sarhalawan, die er overigens ook wel tegenop zag.

De bewoners van “De wite peal” hebben zich niet alleen gehecht aan hun kamp, maar ook aan de streek, waar zij op goede voet staan met de bevolking. Verschillende Ambonezenkinderen lopen al met een Friese naam rond, omdat de ouders een goede kennis uit de buurt hebben vernoemd. Soms is zo’n kennis een middenstander, die de van zo verre gekomen buurtbewoners niet anders behandelt dan de in de streek gewortelden. Dit houdt ook in, dat hij wel eens borgt. Dat vertrouwen wordt op prijs gesteld, vooral ook omdat er uit blijkt, dat het niet tot teleurstellende ervaringen heeft geleid. Om die band zien de bewoners, die genegen zijn naar “Fochteloo” te gaan wel wat tegen de verhuizing op.

Zij vragen zich af, wat zij daar zullen vinden, al weten ze wel, dat het woonoord “Ynbeheer” beter is dan “De wite peal”. Dit barakkenkamp is in de ruim twintig jaar van zijn bestaan zo langzamerhand flink uitgewoond, al zijn er dan ook steeds voorzieningen getroffen. Het is zijn droeve geschiedenis begonnen als onderkomen voor werklozen, die waren tewerkgesteld voor het in cultuur brengen van de drooggelegde Rohelster plas. In de bezetting werden door de nazies Joodse medeburgers in het kamp opgesloten, dat na de oorlog verschillende bestemmingen – meestal voor zorggevallen – heeft gehad, totdat het ongeveer tien jaar geleden werd ingericht voor de Ambonezenkamp.

De inspecteur van de Ambonezenwoonoorden, mr. Van der Laan in Groningen deelde ons desgevraagd mee, dat het kamp “De wite peal” en dode was opgeschreven. Het verkeert in bouwvallige toestand en voldoet niet meer aan de eisen. Het zou zeer oneconomisch zijn, dit kamp weer op te knappen. Het ligt afgelegen en de verbindingen zijn slecht. Bovendien gaat het naar een concentratie van kampen, welke tenslotte moeten uitlopen op een onderbrenging van de gezinnen in normale woonwijken. De overplaatsing geschiedt ook in overeenstemming met de PPRMS, de Ambonezen-raad, waartoe het kamp “De wite peal” behoort. Wat de afstand naar het werk betreft, inwoners van het kamp Fochteloo hebben hun werk ook in Heerenveen.

Vanmorgen om acht uur werd begonnen met het inladen van het huisraad van twee gezinnen. Anderen zullen vrijwillig dat voorbeeld volgen, maar een deel der bewoners is tot nu toe vast beraden om vrijwillig in het kamp te blijven.

Bron: Leeuwarder Courant van de datum 23 november 1960.

Rotsterhaule-Kampweg-x-2-o

Verkoop barakken

Dat de resterende bewoners toch kort daarna het kamp hebben verlaten blijkt uit een bericht op 26 januari 1961 in de Leeuwarder Courant verschijnt:

Verkoop barakken, enz., met ondergrond te Rotsterhaule (Fr).

De inspecteur der domeinen te Leeuwarden, Noordersingel 100 (tel. 05100-25660), zal op woensdag 8 februari 1961, ’s morgens 10 uur, bij inschrijving verkopen:

  1. voor afbraak enkele woon- en slaapbarakken, kantinebarak, bergplaatsen, loopplanken, tegels, enz.;
  2. het terrein waarop deze barakken, enz. staan, met een stenen gebouw beplantingen, enz.;
  3. het terrein met barakken, enz., onder 1e en 2e genoemd, in massa (dus niet voor afbraak);

alles tezamen vormende het voorn. Ambonezen-woonoord “Wite Peal” te Rotsterhaule (gem. Haskerland, Fr.). Bezichtiging is mogelijk op werkdagen van 9-12 en 2-5 uur en ’s zaterdags van 9-12 uur, onder leiding van de kampbeheerder.

Voll. omschrijving en voorwaarden zijn bij de bezichtiging verkrijgbaar of worden op aanvrage door de Ins. voorgenoemd toegezonden.

Opgeld 10%

Bron: Leeuwarder Courant van de datum 26 januari 1961.

Familie Kerkstra na de oorlog

Oorlogsherinnering van Sjouke Kerkstra

Oorlogsherinneringen blijven je altijd bij, ook al was je toen nog maar een kind. Toen de oorlog uitbrak woonde Sjouke Kerkstra in Rohel en bezocht de openbare lagere school in Rotsterhaule. De laatste oorlogsjaren fietste hij naar de openbare U.L.O. in Joure en heeft hij tijdelijk les gehad in villa Jamja, tot ook dit niet meer ging. Uit respect voor de moed van zijn ouders heeft hij een aantal oorlogsherinneringen opgetekend.

Situatieschets

Halverwege de jaren ’30 waren ze komen te wonen aan de Kerkweg 13 in Rohel, op een oud boerderijtje, temidden van een uitgerekte natuur. Hier hield vader Pieter Kerkstra een tiental melkkoeien. In de nabijheid lag het Tjeukemeer, maar het Rohelster Wide was al in de werkverschaffing drooggelegd en de grond werd eerst als landbouwgrond benut. Het was eigendom van Domeinen en er werden twee nieuwe ontginningsplaatsen gebouwd. Het barakkenkamp “De Wite Peal”, bedoeld voor arbeiders kreeg echter een nare herbestemming, toen de bezetter er joden interneerde (20 augustus 1942 tot het voorjaar van 1944).

Verder was de omgeving vanwege de uitgestrekte, natte natuur en geïsoleerde ligging geschikt voor verzetsactiviteiten. Er vonden wapendroppingen plaats en natuurlijk spreekt het drama op het Tjeukemeer, met Lodewijk van Hamel in 1940, erg tot de verbeelding. Tevens zaten her en der onderduikers. Sjouke herinnert zich ook overkomende vliegtuigen, Engelse beschietingen van boten op het Tjeukemeer en zich dat soms Duitse soldaten en hun handlangers op de polderdijk rond het, wanneer ze illegale activiteiten vermoedden.

Historische foto van Kerkweg 13 te Rohel
Het boerderijtje Kerkweg 13 rond 1920, dus voordat de familie Kerkstra hier woonde. Het zag er wel net zo uit. Achter in het voorhuis zat de ene schuilplaats, in de stal zat de tweede speciaal voor groter gevaar. (foto overgenomen uit het boek “Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid” van werkgroep Historie Sintjohannesga e.o.).

Verhaal van dhr. Sjouke Kerkstra

Ons gezin, vader Pieter Kerkstra en moeder Aaltje Puite telde vier kinderen: Ype, Hiltje, Albert en Sjouke, waarvan Ype (geboren in 1926) is overleden. We woonden aan de Kerkweg van 1935 tot 1946. De oorlog was voor ons gezin een spannende tijd, want mijn ouders gaven onderdak aan joodse landgenoten. We woonden op een rustig plekje, de laatste oude boerderij aan de Kerkweg, bereikbaar via een doodlopende sintelweg, enige jaren daarvoor nog een zandweg. Voor ons gezin betekende het een groot risico, toen ze in het najaar van 1943 een joods echtpaar een overlevingskans boden. Wij kinderen waren toen 17, 16, 15 en 12 jaar oud.

Dit echtpaar, oom Gé en tante Fie, zoals wij hen noemden, maar ze heten in het echt Van Zuiden, dreven voordien een kledingszaak “Magazijn De Zon”, in Hoogeveen aan de Hoogeveense Vaart. Via de ondergrondse, ondermeer door Freerk Bouma, destijds groenteboer in St. Johannesga, werden ze op een nacht bij ons afgeleverd.

Het bleef niet bij deze onderduikers, want na enkele maanden meldde zich nog een derde jood, Michiel van Zuiden (schuilnaam Hans Lupkens) die zeer actief in het verzet was. Hans, een neef van het Hoogeveense echtpaar, trouwde na de oorlog met Trijntje Akkerman uit Rohel, stond bekend als een brutale slimmerik in het verzet en was vaak bij ons over de vloer. Het plaatselijke verzet werkte toen samen in een perfecte organisatie, met namen als meester Hulzinga, Jan de Goede, Broer Akkerman enzovoort.

De joodse onderduikers kwamen alleen ’s avonds achter de boerderij even buiten om te luchten. Vanwege de veiligheid waren alleen onze naaste buren, de familie Thijs Maat, hiervan op de hoogte gesteld. Een tweede, tevens de laatste die hier lucht van kreeg, was oom Jelle Koopmans (een zwager). Hij was veehandelaar, die destijds het overtollige vee voor mijn vader verhandelde.

Bij dreigend gevaar was er voor het joodse echtpaar een schuilplaats, een kamertje voor de kelder, waar ze onder normale omstandigheden in een bedstede sliepen. Vanuit de woonkamer aan de wg moest men altijd via de keuken terug naar die schuilplaats, met andere woorden: het was altijd uitkijken geblazen voor plotseling bezoek. Ondanks het feit, dat men vrij constant de weg nauwlettend bewaakte, is Jelle Koopmans ons ontglipt.

Terug door de keuken kon niet meer, de enige kans was nog de bedstede in, maar de tijd was net te kort en tante Fie haar benen bungelden nog net uit de bedstede, toen oom de kamer binnen stapte. Een groot compliment aan de veehandelaar is op z’n plaats, want zelfs z’n vrouw is hiervan onwetend gebleven.

Dit bestaan betekende voor onze ouders een grote opoffering van hun vrijheid en ze hebben een angstige maar ook dankbare tijd beleefd. Het is gelukkig goed afgelopen. Enkele weken voor de bevrijding werd nog de plaatselijke politieman en verzetsman Jan de Goede door de Duitsers opgepakt en opgesloten in Crackstate te Heerenveen. Een en ander had nare gevolgen voor ons allemaal kunnen hebben.

We zijn toen enkele dagen ondergedoken geweest bij de familie W. Bijker in Rotsterhaule. Alleen het nodige werk, zoals het melken en de melkrit voor enkele boeren naar “de Pôlle” werd verricht door mijn broer Albert. Vond er thuis iets plaats, wat niet werd vertrouwd en kregen wij hierover signalen van de ondergrondse, dan verbleven en sliepen het echtpaar Van Zuiden in de stal, onder een uitgebouwde bedstede in de schuur. Ik heb er nog wel met mijn broer boven geslapen, terwijl zij, niet zo comfortabel, in een klein hokje onder ons verborgen waren.

Oom Gé en tante Fie zijn tot en met het einde van de oorlog in mei 1945 gebleven. Ze hielden zo mogelijk iedere dag de terreinwinst van de geallieerden bij, op een grote landkaart en kleurden de frontlijn in. Oom Gé hield zich graag bezig met het dagelijkse boterkarnen, met behulp van een fles. In de kamer hadden we een fiets op de kop staan. Zo konden we al draaiend en trappend, elektrisch licht in de stal maken bij het melken.

Familie Kerkstra na de oorlog
Familie Kerkstra na de oorlog: Staand v.l.n.r. oudste zoon Ype, Pieter Kerkstra, Aaltje Kerkstra-Puite, jongeste zoon Sjouke, dochter Hiltje en onderduiker Michiel van Zuiden (alias Hans Lupkens). De dame met het oorijzer is grootmoeder Puite. Middelste zoon Albert ontbreekt op de foto, omdat hij elders werkzaam was. Bijverdiensten waren nodig omdat de eigen te klein was. (bron: fam. Kerkstra).

In mei keerde het echtpaar naar de winkel in Hoogeveen terug, maar hebben die niet lang meer voorgezet. Ze hadden twee zonen, één had in Rotsterhaule ondergedoken gezeten en emigreerde na de oorlog naar Israél. De andere zoon heeft de oorlog helaas niet overleefd, net als bijna de gehele familie Van Zuiden.

Het echtpaar Van Zuiden zijn inmiddels al overleden en Michiel van Zuiden, is overleden op 81 jarige leeftijd in 1997 in z’n woonplaats Enschede. Hij ligt begraven in Rottum. Trijntje Akkerman leeft nog en is inmiddels 96 jaar. Na de oorlog zijn nog diverse contacten over en weer geeest, bezoekjes en logeerpartijen. In Israël werd een boom geplant uit waardering voor het gezin Pieter en Aaltje Kerkstra.

Kerkweg 13 Rohel
De boerderij aan de Kerkweg 13 te Rohel, zoals het in 2009 uit zag.

 

Woonwagentje van Piete Queen getekend door Benno Pen.

Piete Queen

Een kluizenaar midden in het Schar met de naam Pietie Hoekstra, beter bekend met de naam Piete Queen. Ben Pen uit Joure geeft een beschrijving van het leven in het Schar en deze bijzondere dame.

Piete Queen in gesprek met twee mannen van de wegenbouw.
Hier staat Pietie Hoekstra te praten met twee mannen van de wegenbouw. Links staat Jan Veldman. Hij was uitvoerder bij wegenbouwbedrijf M. van der Wal uit Lemmer. Zij brengen Pietie hier op de hoogte van de plannen om de Hogedijkstervaart te dempen.

Inleiding

Dhr. B. Pen uit Joure heeft in de periode 1950-1960 gewerkt in het Oosterschar. Dit verhaal gaat over de ontmoeting met Pietie Hoekstra. B. Pen heeft nog 42 jaar in de Noordoostpolder gewoond, voordat hij terug keerde in Skarsterlân (de Friese Meren).

Jeugdherinnering van Benno Pen

Tussen 1950-1960 is het Schar in pacht geweest van mijn vader T. Pen uit Spanga en K. Vaartjes uit Oldemarkt. Als jongeman was ik vaders rechterhand en moest ik met veel rietsnijders het Schar (1000 ha) bewerken.

Het was een wildernis van petgaten en turfribben waar zij zomers pampels snelden en ’s winters riet moesten snijden. Om op elk stukje rietland te kunnen komen, werd er gebruik gemaakt van platte schouwen, die meer leken op grote veenbakken dan op boten, maar die voor dit werk zeer geschikt waren. Je kon met velen tegelijk naar een akker of petgat varen. Het riet, dat werd geoogst, werd direct weer mee terug gebracht naar de Hogedijkstervaart, waar de grote opslag was en waar toen ook al vrachtauto’s konden komen.

Het Schar liep van Vierhuisterbrug tot aan het Heechhout bij Rottum. Je moest je in allerlei bochten wringen om in goede harmonie met de bewoners om te gaan, want vóór het “SCHAR” werd verpacht door domeinen was elk stukje zogenaamd van diegene, die daar het dichtst bij woonde.

In het midden van deze woesternij, waar menige rietsnijder soms verdwaalde, lag het Poepegat (een groot petgat waar in de oorlog soldaten bivakkeerden). Aan de rand van dit poepegat stond een oud woonwagentje dat er heen gebracht was door de familie van Pietje Hoekstra (bekend in die omgeving als Piete Queen).

Woonwagentje van Piete Queen getekend door Benno Pen.
Om u een idee te geven hoe Piete Queen in het Skar heeft geleefd, heeft Benno Pen de woonwagen nagetekend. Dit is waarschijnlijk de enige afbeelding over deze unieke plek in het Skar…

Zij leefde daar als een soort kluizenaar met een paar geiten en poezen. Deze mevrouw leefde van kantmaaien met de zeis langs de Hoogedijkstervaart en bermen bij bedrijven of boeren, die daar niet aan toe kwamen of het liever over lieten aan Piete Queen, die het voor een fles jenever wel deed. Niemand kwam bij haar op het eiland of durfde niet te komen, omdat zij iets afdwong, daar de meeste liever omheen gingen.

Daar ik door zware arbeid en met vele potige mannen moest omgaan, was ik niet zo gauw uit het veld geslagen en wilde toch eens in dat geheimzinnige hutje (wagentje met versleten half afgebrokkelde wielen en zoden op het dak voor lekkage) kijken en ik zag alleen een klein oud tafeltje met een petroleumstelletje erop staan. Verders lag er onder de tafel wat vers hooi, waarschijnlijk de slaapplaats van Piete, haar geiten en poezen.

Door deze geheimzinnige ontmoeting ging er bij de jonge Benno Pen veel in zijn gedachten om en maakte er een gedicht van. Om anderen hier deelzaam te maken, speelde hij dit in de vorm van een lied op de piano en zong hij dit bij zijn gitaar op de melodie van “Loeiende klokken van Limburg myn land”:

“Ik bin Piete en ‘k woon op ’n eiland en heb ut er hier ja zo best noar mie’n zin.
En word ’t er waarum of is ut’ter hiete no dan spring ik ur ut poepegat in.

Geit’n en poeze’n leef’n der by mij in hus
‘k woon hier al jaoren en ‘k vuul er mij helemoal thus.

En ’s aovonds wod ut donker en stille om mij heen
dan heur ik but’n stemmen…
kiek doar woond Piete Queen
Dan den’k ik weer an vrogger, die goeie olde tyd
toen was ik nog een meigien en noem ze mij nog Piet”

 

Pietie Hoekstra

Ook in het boek “Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid” wordt melding gemaakt van Pietie Hoekstra:

Pietie was een bijzondere persoonlijkheid in ons dorp. Voorheen woonde zij in het Schar in een klein woonwagentje. Ze woonde letterlijk en figuurlijk dicht bij de natuur.

Deze toestand werd op een gegeven moment onhoudbaar en na de oorlog heeft de diaconie, in overleg met eigenaar Roel Dam (destijds wonende op de Hogedijk 142, de winkel van Roel Dam en Tryntje Geesje Joppe) één van de huisjes naast de winkel beschikbaar gesteld.

 

Verhalen & Gedichten B. Pen

Op de website ferhoalen.000webhostapp.com van Benno Pen kunt  u deze en al zijn andere verhalen en gedichten lezen.